Het
eerste wat ik vanochtend deed was naar het grafje van de kleine Vincent lopen.
Het moet voor jou ook niet makkelijk zijn geweest, om zo geconfronteerd te
worden met die andere Vincent, die vanzelfsprekend altijd bij jouw ouders in hun
gedachten bleef. Het is indrukwekkend dat ik hier tien passen vandaan slaap en
weer tien passen verder werk. Ik heb, toen ik nog op de Academie zat, een
fotoserie gemaakt van mensen die rond een kerkhof wonen. Als zij ’s ochtends de
gordijnen openschoven keken ze op de grafzerken. Dat vond ik nogal morbide,
maar voor die mensen was het doodgewoon. Enkelen vonden het zelfs prettig,
omdat ze uitkeken op de plek waar hun geliefde was begraven. Maar in jouw geval
ligt het toch wat anders.

Jouw
kunstenaarsoog heeft het nachtelijk lijntje herkend. Ja, ik zal me verder
toeleggen op mijn zelfportretten, hoewel ik zo nu en dan een bordeelscene niet
uitsluit. Het was geen opzet hoor, dat bezoek aan een leeg bordeel. Ik
had ook veel liever gehad dat het er bruisend aan toe was gegaan, maar de
realiteit bleek anders. Of ik er iets van heb opgestoken? Toch wel. Natuurlijk,
die ruimte op zich ‘vertelde’ niet zoveel, maar het gesprek met de uitbaters
heeft indruk op me gemaakt. Wanneer hoor je nou het verhaal van die kant?
Meestal gaat het toch om stichtelijke teksten waarin gepleit wordt voor
uitbanning van die branche, of, als tegenhanger, om de geromantiseerde kant. Ik
denk dat ik eigenlijk alle indrukken die ik opdoe kan gebruiken om ze later in
beelden of woorden te combineren tot iets dat ik de ander wil laten zien; als
een extract van mijn wezen.

Het beste
Vincent,

Gert-Jan